Over proces Dutroux

Wat doet het u dat het proces tegen Dutroux eindelijk van start gaat? “Ik heb

Over proces Dutroux

698549

Wat doet het u dat het proces tegen Dutroux eindelijk van start gaat?

“Ik heb daar geen speciale gevoelens bij. Dat ik voorzitter van de onderzoekscommissie naar de ontvoerde meisjes of minister van Justitie ben geweest, doet niets ter zake. Ik hoop zoals elke Belg dat recht zal geschieden. En dat we eindelijk vernemen wat er allemaal gebeurd is.”

Weet u dat dan niet door uw werk in de commissie-Dutroux?

“Nee. Het strafdossier waarin wij als leden van de onderzoekscommissie inzage kregen, sloeg op de feiten vanaf de aangifte van de verdwijning van de meisjes tot de ontmaskering van Dutroux in augustus 1996. Wat daarna is gebeurd, is een zaak van het gerecht. Ik ken de inhoud van het strafdossier niet.”

“Ik wil dit toch duidelijk maken: het assisenproces in Aarlen is de gerechtelijke afhandeling van het onderzoek dat de voorbije jaren is gevoerd. Onze opdracht als onderzoekscommissie was na te gaan of de politiediensten en de justitie op een aanvaardbare manier hadden gefunctioneerd bij de zoektocht naar de meisjes. Als dat niet het geval was, moesten we daarvoor de verantwoordelijkheden vastleggen en aanbevelingen formuleren om zulke miskleunen te voorkomen. De onderzoekscommissie had dus een politieke opdracht, een controlerende opdracht die zijn oorsprong vond in de grondwet.”

De commissie-Dutroux was niet de eerste parlementaire commissie die vaststelde dat er wel wat misliep bij politie en justitie. Toch had geen enkele onderzoekscommissie zo’n impact als de uwe. Hoe verklaart u dat?

“Het gaat over feiten die niemand onverschillig laten. Er is niets dat mensen zo aangrijpt als het lot van hun of andermans kinderen. Ik herinner me als gisteren de brief van de ouders van Julie en Melissa, waarin ze maar liefst 58 onbeantwoorde vragen stelden aan de toenmalige minister van Justitie (Stefaan De Clerck, red.).”

“Daarnaast hadden we beslist dat de onderzoekscommissie in volle openbaarheid zou werken, met de rechtstreekse televisieuitzendingen tot gevolg. De bevolking kon onze werkzaamheden dag na dag volgen en moedigde ons in ons werk aan. Dat was uniek in onze geschiedenis. Het ging om een vorm van toegepaste democratie.”